Het was mijn eigen stomme schuld. Ik was veel te laat met het halen van mijn collectebus, dus er waren nog maar een paar straten over om te lopen. Ik had nog nooit van die straten gehoord.
‘Geen probleem!’ kakelde ik. ‘Doe die andere straat ernaast er ook maar bij. En dat stukje ertussen. Ik ga ze helemaal leegkloppen!’ Want ik houd van collecteren. Het geeft me een kick om er zo zielig (dikke muts, handschoenen, verwaaide paraplu) of charmant (haarbandje, rode lippenstift, hakken) mogelijk uit te zien, mijn liefste blik op te zetten, en te zeggen: ‘Goeienavond. Kunt u misschien iets missen voor de Stichting tegen Kontkorstjes?’
Rode lippenstift
Ik heb nu een aantal collecteerklussen erop zitten, en weet dat de standaardgift op twee euri per huis ligt (mannen willen wel eens meer geven, vrouwen niet). Dus gewapend met rode lippenstift en paraplu ging ik naar ‘mijn’ straten.
Afval in de tuin
Op de hoek stond een donkere man. Hij had een jas met een cappuchon en zijn handen in zijn zakken. Hij stond daar maar, en hij keek naar mij. Op de huizen stonden enorme schotels. Een eindje verderop stonden een stel opgeschoten jongens met knetterende brommers. De tuinen waren verlept en er lag afval in. Mijn enthousiaste tred vertraagde: ik was in een pauperbuurt beland.
Ontdekkingen
Terwijl ik de deuren af ging, kwam ik tot verschilllende ontdekkingen:
- Als ik aanbelde, ontbrak de bel.
- Als ik aanbelde, was de bel stuk.
- Als ik aanbelde, deden ze niet open, maar staarden ze me wel aan door het keukenraam.
- Als ik aanbelde en ze deden open, en ik noemde het Goede Doel, dan kenden ze het niet, en wilden ze dus niks geven.
- Als ik aanbelde en ze deden open en ik noemde het Goede Doel, wilden ze wel wat geven, maar ze hadden geen contant geld bij zich.
- Als ik aanbelde en ze deden open en ze wilden wel iets geven en ze hadden ook contant geld, dan deden ze er een dubbeltje in.Afijn, ik verdiende dus geen hol in die pauperbuurt. Dat vond ik best begrijpelijk, maar ondertussen vreesde ik ook voor mijn leven, of dat op zijn minst die collectebus met vier euro vijfentwintig erin gejat zou worden.
Zwarte labrador
Toen ik de moed begon op te geven, en het ook nog begon te schemeren (ieks!), belde ik aan bij een huis waar op de voordeur een hondenkop was geplakt. Het was uitgeknipt uit een blad, en zat vast met plakbandjes. Blijkbaar om inbrekers op afstand te houden. Jammer dat het een afbeelding van een zwarte labrador was. Ik keek naar de voordeur van de buurvrouw: een sticker van een pittbul.
Op een kiertje
Een gordijntje werd opzij geschoven, en een oud vrouwengezicht gluurde wantrouwend naar me via het raam. Toen deed ze de deur op een kiertje, het startsein om mijn riedeltje af te draaien. ‘Wacht even, ik pak geld.’ Ze liet de deur op een kier staan. Niet echt verstandig, als ze de verkeerde voor zich heeft.
Deur dicht
Ze kwam weer aangeschuifeld, en stopte dertig cent in mijn geldbus. ‘Dankuwel mevrouw.’ Ik aarzelde. ‘Mevrouw, als er de volgende keer nog iemand collecteert, mag u tussendoor best de deur dicht doen, hoor. Als u het geld pakt. Want als u een verkeerde persoon treft, kan hij zo uw huis in lopen.’
Stok
Het vrouwtje kneep haar ogen tot spleetjes: ‘Ik weet het. Op nummer zeventien is ook al vijf keer ingebroken. Maar gluur altijd door het raampje, om te zien of het goed volk is.’
‘Ja maar slecht volk kan er ook vriendelijk uitzien.’
Ze hief dreigend haar vinger. ‘Jaaaa, maar ik heb hier om het hoekje een wandelstok staan.’ Ze pakte de stok, en wankelde op haar benen, toen ze hem omhoog hield. ‘En als ze naar binnen komen, dan sla ik ze op hun hoofd!’
Ik gaf het op. ‘Mooie hond,’ zei ik nog.
Ze keek betrapt. ‘Dankje.’
We keken elkaar even zwijgend aan. ‘Vindt u het eigenlijk niet vervelend, dat u in een buurt woont waar zoveel ingebroken wordt?’ vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op. Een machteloos gebaar. ‘Wat kan ik eraan doen?’
Tja, wat kan ze eraan doen.
Ik dacht dat ik grof geld voor het goede doel zou ophalen, ik schrok me dood toen ik zag wat voor buurt het was, en ik was geroerd door een oude dappere mevrouw. Dit was mijn rijkste collecte-avond ooit.
Je hebt wel lef. In mijn buurt durft niemand te collecteren. Tenminste, ik heb ze nog nooit gezien. Wat ook wel logisch is, zelfs de politie durft hier niet te komen na de klok van 12. Ik woon gelukkig op de vierde verdieping maar als je beneden aanbelt is er geen mens die opendoet als het donker is.